# Je hebt daarnaast een Bresser C-Stand met boomarm, achtergrondsupport van 3 × 3 meter en een Godox 290F-statief.
Die zijn vooral nuttig voor haarlicht, bovenlicht, achtergrondrollen en opstellingen waarbij je het licht buiten beeld wilt houden.
2. Welke flitssterkte gebruik je?
De vermogens van 400 Ws en 600 Ws zijn de maximale energie per flits. De juiste instelling hangt af van de afstand, lichtvormer, gewenste scherptediepte, huidskleur, kleding en de gevoeligheid van je camera.
De schaal verschilt per flitser en model. Controleer de werkelijke vermogensstappen op je toestel. Een instelling van 1/8 betekent bijvoorbeeld een achtste van het maximale flitsvermogen, niet een sluitertijd van 1/8 seconde.
3. De beste startinstelling voor je camera:
Manuele stand (M).
ISO 100.Sluitertijd 1/160–1/200 seconde, mits binnen de synchronisatielimiet van je camera en trigger.
Diafragma f/5.6 als praktisch beginpunt.
Witbalans op flitslicht of een vaste Kelvin-waarde.
Stel vervolgens de flitssterkte af tot de huid correct belicht is.
Bij portretten met een wazige achtergrond kan je naar f/2.8–f/4 gaan, maar controleer dan of je flitser voldoende laag kan worden ingesteld.
Bij groepen is f/5.6–f/8 vaak praktischer.
1/ Camera instellen.
Begin met ISO 100, 1/160 seconde en f/5.6 in manuele modus.
2/ Hoofdlicht plaatsen. Gebruik de octabox of een softbox op ongeveer 45° van het gezicht.
3/ Proeffoto maken.
Stel alleen de sterkte van het hoofdlicht bij tot de huid correct belicht is.
4/ Schaduwen beoordelen. Gebruik een witte of zwarte V-Flat om het contrast te regelen.
5/ Extra licht toevoegen. Voeg pas een invullicht, randlicht of achtergrondlicht toe als daar een duidelijke reden voor is.
6/ Poses variëren. Maak een reeks met recht vooruit kijken, driekwart, zittend, lachend en een blik buiten beeld.
7/ Controleer de details. Let op glimmende huid, uitgebleekte highlights, storende schaduwen, reflecties in brillen en voldoende scherpte op de ogen.









